OPINIE
Door Jelena Maes
Zoals het stereotype voorschrijft, geven vaders niet altijd evenveel mee over hun emotionele toestand. Toch raakten mijn vader en ik, beide in de woonkamer gezeteld, aan de praat over zijn eerdere traject bij een psycholoog. Ik stelde hem de vraag of veel van zijn vrienden hierover wisten. Hij fronste zijn wenkbrauwen en schudde zijn hoofd. Kennelijk vond hij het vanzelfsprekend om zijn ervaringen bij de psycholoog gescheiden te houden van zijn dichte kring. Ik wil het graag op de generatie steken (of gender), maar het lijkt nog steeds gangbaar om onze consultaties bij een psycholoog verborgen te houden voor anderen.
Hoe komt het dat we als samenleving, ondanks een toename aan psychologisch bewustzijn, nog steeds zoveel schaamte voelen? Hoe komt het dat we nog steeds weerstand voelen om ons openlijk psychisch kwetsbaar op te stellen?
We leven in een maatschappij waarin we geacht worden elk aan onze ‘eigen’ problemen te werken. Dit hangt samen met een ideaal van zelfverbetering en individualisme; het idee dat je kan worden wat je wil, als je maar bereid bent je best te doen. Bijgevolg worden psychologische moeilijkheden al te snel bij de persoon gelegd. Ook de context van persoonlijke verbetering vindt vaak plaats in aparte ruimtes, afgescheiden van de buitenwereld. Nog te vaak richt therapie zich op het individu en houdt het weinig tot
geen rekening met de bredere structuur. Ik wil allerminst de waarde en kracht van individuele therapie onderschatten. Toch is het van belang te erkennen dat individuele verhalen plaatsvinden in een breder geheel van sociale relaties. Wij zijn gaan geloven dat persoonlijke problemen individuele problemen zijn, en niets te maken hebben met een groter sociaal-maatschappelijk geheel. Maar zoals de gekende feministische slogan luidt: ‘Het persoonlijke is politiek!’ Wat we individueel ervaren, hangt samen met de politieke context.
Dit is zeker van belang in het geval van trauma. Trauma is meer aanwezig dan we denken. Micro-trauma bijvoorbeeld, of wat binnen de academische literatuur als ‘insidious trauma’ bestempeld wordt, kan plaatsvinden binnen alledaagse situaties en interpersoonlijke relaties. Het is een vorm van micro-agressie die we kennen als bijvoorbeeld alledaags racisme, seksisme, heteronormativiteit of validisme. Hierbij valt ‘het trauma’ moeilijk terug te herleiden tot één duidelijke gebeurtenis, maar krijgt het vorm doorheen interpersoonlijke interacties. Interpersoonlijke relaties zijn gekenmerkt door macht. En als trauma relationeel is, dan dient herstel ook relationeel te zijn.
Literatuur kan een belangrijke rol spelen in het collectiviseren van trauma, of andere vormen van psychische pijn. Zeker het micro-trauma is een vorm die nog te vaak onderschat wordt of onzichtbaar blijft. Literatuur en kunst kunnen ons helpen om zaken bespreekbaar te maken, open te breken en in de samenleving te plaatsen. Het wordt iets collectiefs en verbindend. Dit in tegenstelling tot een individualiserende blik die kan leiden tot eenzaamheid en schaamte. Daarnaast kan het ook verantwoordelijkheid verspreiden door de maatschappij in rekenschap te nemen. De individuele ervaring wordt zo in een gedeelde ruimte gezet. Verschillende boeken hebben er al toe geleid dat we sneller over trauma spreken, denk maar aan ‘Half Leven’ en ‘Zo zingt de pijn’, beide van auteur Aya Sabi. Zo vertelt zij in een uitgebreid interview in DeMorgen:‘Mijn essay is niets meer dan een uitnodiging om ook uit dat idee van intergenerationele pijn te stappen, en verhalen van weerbaarheid te vertellen.’ Literatuur brengt ons samen rond hetzelfde verhaal en doet ons inleven, reflecteren en interpreteren.
Foto: Still uit 'Aftersun' (2022) van Charlotte Wells